De enige zekerheid die Vlaanderen nodig heeft, is leerzekerheid

De enige zekerheid die Vlaanderen nodig heeft, is leerzekerheid

75 miljoen jobs weg, 133 miljoen erbij. Op basis van de resultaten van het World Economic Forum werd vorige week terecht de vraag gesteld of Vlaanderen klaar is voor een dergelijke transitie. Ook het rapport van Agoria en de Pano-reportage wezen op het toenemend belang van andere competenties. Aan analyses geen gebrek en ondertussen komt het belang van levenslang leren steeds hoger op de agenda. Maar veel oplossingen zijn er tot op heden nog niet beschreven...

Vaak wordt gekeken naar buitenlandse voorbeelden zoals het Deense Flexicurity model waar werknemers heel mobiel zijn op de arbeidsmarkt. Maar buitenlandse voorbeelden gaan uit van basisprincipes waarop consequente beleidsmaatregelen gebaseerd zijn en zijn bovendien snel aanpasbaar.

Het fragmentarisch copy-pasten van oplossingen (bijvoorbeeld het opleidingsverlof) zal de Vlaamse arbeidsmarkt niet helpen. Het opstellen van basisprincipes wel. In een snel veranderende omgeving lijkt één basisprincipe alvast essentieel: iedereen lerende waarbij voor iedere lerende er leerzekerheid is doorheen de loopbaan.

Iedereen lerende

Het streven naar jobzekerheid en werkzekerheid krijgt in tijden van snelle verandering een holle invulling. Mensen opleiden voor jobs waarvan het bestaan nog niet gekend is of binnen sectoren die onderhevig zijn aan disruptie én werkzekerheid valt daar niet mee te rijmen. De zekerheid ligt niet langer in het streven naar behoud van hun huidig job of in het verzekeren van een job, wel in het investeren van aanpasbaarheid van de beroepsbevolking om de arbeidsmarkt op peil te houden. En dit kan door het verzekeren van leren, de leerzekerheid.

De voorbije decennia zijn er in Vlaanderen een veelheid van maatregelen en statuten ontstaan om een antwoord te kunnen bieden aan de snel veranderende arbeidsmarkt. Denk hierbij vooral aan de verschillende invullingen van werknemer, werkgever, freelancer,..., maar ook verschillende vormen van ondernemen.

De Uber-chauffeur is een semi-zelfstandige die dankzij technologie voet aan de grond krijgt op de taximarkt, de student-ondernemer leert terwijl hij een eigen zaak uit de grond probeert te stampen. De verschillende statuten zijn het resultaat van het fragmentarisch copy-pasten van beleidsmaatregelen uit buitenlandse modellen.

Leren en adaptief zijn

Het Deense model van Flexicurity wordt hierbij veelal gezien als de sleutel tot succes voor een goed functionerende arbeidsmarkt. Essentieel in dit model is de focus op een aantal basisprincipes die als vertrekpunt dienen. Het is een verhaal van rechten en plichten, met hoge werkloosheidsvergoedingen, een strikte controle van werkzoekenden en een goed uitgebouwd opleidingssysteem voor werkzoekenden én werkenden. Alle maatregelen zijn consistent aan die principes. Bovendien is het flexicurity model een adaptief systeem met bijsturing en aanpassing. Het zomaar klakkeloos overnemen van een dergelijk systeem is met andere woorden niet doeltreffend.

Als we willen gaan voor een Vlaams flexicurity model, dan zijn eigen uitgangspunten en principes van belang. Wat zou zo’n basisprincipe kunnen zijn? Net als de Uber-chauffeur zal de student-ondernemer adaptief moeten blijven.

Centraal staat het verhaal van leren en adaptief zijn, onafhankelijk of je nu werknemer, ondernemer of student bent. Dan rijst nog de vraag waarom die verschillende statuten en bijkomende aanpassingen in regelgeving nog bestaan en er geen standaard uitgangsprincipe is van iedereen lerende.

Universeel recht op leren

Als ‘iedereen lerende’ een basisprincipe is, dan kan de vraag gesteld worden welke beleidsmaatregelen aan de grondslag liggen van een Vlaams model. De doelstelling is het optimaliseren van de werking van de arbeidsmarkt. De recepten om dit te bereiken vanaf de jaren ’80 zijn maatregelen die inspelen op het flexibiliseren (functionele flexibiliteit, contractuele flexibiliteit), alsook inspelen op zekerheid (inkomenszekerheid en opleidingen). Centraal in dit model is het extrapoleren van welke jobs in de toekomst nog een bestaansreden zullen hebben.

En daar knelt het louter fragmentarisch copy-pasten van dergelijke flexicurity maatregelen voor de huidige arbeidsmarkt. Gezien tot op heden geen eenduidig antwoord kan gegeven worden op de impact van digitalisering kan men terecht de vraag stellen of de deze maatregelen van zekerheid en flexibiliteit toereikend zijn. Is het niet tijd om in plaats van de focus op het recht op werken, zoals in vele regelgeving is neergepend, het recht op leren in te schrijven als een recht voor iedereen, een universeel recht op leren?

Dit recht op leren zou aanleiding moeten geven tot niet zozeer meer diploma- en jobzekerheid, maar vooral tot het weerbaar maken van mensen zodat ze in veel moderne bedrijven terecht kunnen en makkelijk van de ene naar de andere job kunnen switchen. Waar wachten we nog op?

Connecteer met 81.902 abonnees
Schrijf u in voor onze wekelijkse nieuwsbrief